Leiden was vanaf de middeleeuwen een belangrijk centrum van de lakenindustrie. Bij de productie, controle en handel van laken werden grote aantallen verschillende loodjes gebruikt. Een lakenloodje kon informatie geven over de herkomst, producent, soort textiel, kwaliteit, maat, bewerking of keuring.
Voor de metaaldetectorist zijn deze loodjes daardoor bijzonder interessant. De afbeeldingen, letters en opschriften zijn vaak de sleutel tot de determinatie.
Het onderstaande overzicht is gebaseerd op een historische beschrijving van het Leidse merkenrecht en aangevuld voornamelijk met vergelijkbare objecten uit de collectie van Museum De Lakenhal en mijn prive collectie.
1. Het Leidse stadsmerk
Het belangrijkste herkenningsteken van Leids textiel is het wapen van Leiden: twee gekruiste sleutels.
Op andere Leidse loodjes verschijnt de klimmende leeuw. Beide voorstellingen werden als Leidse stadsmerken gebruikt. Museum De Lakenhal bevestigt dit expliciet in de beschrijvingen van zijn collectie.
Een mooi vroeg museumvoorbeeld is een textiellood uit 1592–1596 met het Leidse wapen en het opschrift LEYDS GOET, gecombineerd met een klimmende leeuw.
Textiellood met wapen van Leiden, 1592–1596 – De Lakenhal
2. LEYDEN IN HOLLANT
Een veel voorkomende herkomstaanduiding is:
LEYDEN IN HOLLANT
Deze tekst kon rond het stadswapen worden geplaatst. Bij latere loodjes, zoals het Wolle Deeken type (zie hieronder) staat ook wel Leyden in Hollandt.
Een bijzonder fraai voorbeeld uit De Lakenhal dateert uit 1600–1625. Aan de ene zijde staan het Leidse stadswapen en het randschrift LEYDEN IN HOLLANT. Op de andere zijde staat een klimmende leeuw met kromzwaard en het opschrift TOT RASSEN [GEREED].
Textiellood met wapen van Leiden – De Lakenhal, B 1475
Dit is een goed voorbeeld van het feit dat één loodje meerdere soorten informatie kon bevatten: plaats van herkomst én soort/kwaliteitscategorie van het textiel.
2. LEYDS GOET

Een andere aanduiding is:
LEYDS GVET of LEIDS GOET
De aanduiding Leyds goet betekende dat het textiel als Leids goed was erkend. Het was onderdeel van het Leidse merken- en keuringssysteem en fungeerde als aanduiding van herkomst en kwaliteit. De tekst komt vaak voor in combinatie met het Leidse stadswapen, de twee gekruiste sleutels, een leeuw en aanvullende keur- of controlemerken. De aanduiding komt vooral voor op lakenloodjes uit de vroegmoderne periode, met bekende voorbeelden uit de 16e en 17e eeuw.
De Lakenhal bezit een exemplaar uit 1592–1596 met LEYDS GOET, het Leidse wapen en een klimmende leeuw.
Textiellood met 'LEYDS GOET' – De Lakenhal, B 1471
Een bijzonder interessant stuk is bovendien een fragment met drie textielloden uit 1625–1650. Daarop komen onder andere LEYDS GVET, een tweekoppige adelaar en verschillende aanvullende kloppen voor.
De tweekoppige adelaar is overigens hoogstwaarschijnlijk een handelsteken voor handel met het Heilig Roomse Rijk. De Habsburgse Nederlanden was een benaming voor de Lage Landen gedurende de tijd dat ze geregeerd werden door vorsten uit het huis Habsburg. Deze periode begon in 1482 en eindigde voor de Noordelijke Nederlanden (globaal Nederland) in 1581 (erkent in 1648). Voor de Zuidelijke Nederlanden (globaal België) eindigde dit pas in 1795. Wanneer er ergens een tweekoppige adelaar op wordt afgebeeld dan is dit vaak een Roomse (Katholieke) verwijzing waarschijnlijk na 1581. Dit deed men wellicht om de handel van de republiek met het Heilige Roomse rijk te vergemakkelijken.
Textielfragment met drie textielloden – De Lakenhal, B 1481
Datering van dit soort loodjes is voorlopig 1581-1700
LEYDS GOEDT
Een variatie op dit loodje is er een met een roosje met zijbalkjes
In de Lakenhal ligt een stempel met roosje en dwarsstrepen met omschrift Leyds Goedt
3. Pers- en visitatieloodjes
Na het eerste controleproces volgde onder andere controle bij het persen.
Daarvoor werden persloodjes of visitatieloodjes gebruikt.
Gebreken konden met letters of cijfers worden aangegeven. In de historische beschrijving worden onder andere genoemd:
D – DD – DDD
Het aantal tekens gaf de ernst van het gebrek aan.
Dit soort markeringen is voor de detectorist belangrijk omdat een letter of cijfer op een loodje dus niet automatisch een producent, plaats of jaartal betekent.
4. Meet- en lengteloodjes
Een volgende controle had betrekking op de maat en lengte van het laken.
Hiervoor werden meetloodjes gebruikt.
De Lakenhal bezit hiervan verschillende interessante voorbeelden. Een daarvan draagt het opschrift GEMETEN en het getal 41½. Het lood dateert uit 1600–1650.
Textiellood met 'GEMETEN' en 41½ – De Lakenhal, B 1479
Een vergelijkbaar exemplaar draagt 58½ en GEMETEN.
Textiellood met 'GEMETEN' en 58½ – De Lakenhal, B 1480
Ook een lood met DROOG GEMETEN is bekend.
Textiellood met 'DROOG GEMETEN' – De Lakenhal, B 1477
Let op
Een getal op een lakenlood hoeft dus helemaal geen jaartal te zijn. Het kan een maat of meetresultaat aangeven.
5. Staalloodjes
Een belangrijke groep zijn de staalloodjes.
Het woord stael heeft hier betrekking op de keuring/kwaliteitscategorie van het textiel en niet op het materiaal waarvan het loodje is gemaakt.
Er waren onder andere:
- stael
- anderhalf stael
- dubbel stael
- groot dubbel stael
De Lakenhal bezit een exemplaar met ANDERHALF STAEL, gedateerd 1600–1700.
Textiellood 'ANDERHALF STAEL' – De Lakenhal, B 1482
6. Groot dubbel staal
Een van de meest indrukwekkende Leidse lakenloodjes is het Leyds Groot Doubbel Stael.
Een exemplaar uit 1619 is maar liefst ongeveer 83 × 9 mm groot.
Het opschrift luidt:
T LEYDS GROOT DOUBBEL STAEL 1619
Op de ene zijde staan een gekroonde leeuw en de gekruiste sleutels; op de andere zijde opnieuw een leeuw en de sleutels.
Leyds Groot Doubbel Stael 1619 – De Lakenhal, 7965
Dit is een uitstekend vergelijkingsobject voor grote Leidse kwaliteitsloodjes.
7. Het opperste lood
Het opperste lood was het uiteindelijke lood na de laatste beoordeling.
Hierbij werd onder andere gekeken naar:
- breedte;
- fijnheid;
- kwaliteit;
- afwerking.
Voor verschillende kwaliteitsniveaus konden verschillende loodjes worden gebruikt.
De beste kwaliteiten konden meerdere loodjes krijgen.
8. Kronen of croonen
Bij de beste kwaliteiten grein en heerensaai kwamen zogenaamde kronen of croonen voor.
Deze loodjes konden aan de ene zijde een gekroonde leeuw tonen en aan de andere zijde het Leidse stadswapen met de twee sleutels.
De historische bron vermeldt dat de beste grein en heerensaai als overkijkers konden worden aangeduid en van dergelijke kroonloodjes werden voorzien.
De Lakenhal heeft verschillende vergelijkbare Leidse kwaliteitsloodjes in de collectie. Een exacte koppeling aan ieder in de historische bron genoemd type is echter niet altijd mogelijk.
9. Ras
Voor ras (lichte wollen stof) zijn bijzondere Leidse loodjes bekend.
Een historisch beschreven lood draagt de tekst:
Rassen gereet tot Leyden, mer wit en ongeverwet uutgevoert
Dit betekent dat het ras in Leiden gereedgemaakt was, maar wit en ongeverfd werd uitgevoerd.
Een concreet museumvoorbeeld is het hierboven genoemde lood uit 1600–1625 met LEYDEN IN HOLLANT en TOT RASSEN [GEREED].
Tot rassen gereed – De Lakenhal, B 1475
10. Saai en fustijn
Voor zwarte saai-fustine bestonden verschillende kwaliteitscategorieën.
De beste kwaliteit kon twee loodjes krijgen. Een daarvan toonde een dubbele leeuw met het Leidse stadswapen.
Lagere kwaliteiten konden een enkele leeuw tonen en de slechtste kwaliteit alleen een L.
Vergelijkbare aanduidingen werden ook gebruikt voor katoenen fustijn en vierschachten.
Dit is een goed voorbeeld van hoe het motief zelf een kwaliteitsbetekenis kon hebben.
11. Belsche lakens
Een bijzondere groep zijn de loodjes voor Belsche lakens.
Met Belse lakens worden in de Leidse bronnen lakens bedoeld die volgens de Belgische/Vlaamse wijze werden vervaardigd. In Leidse bronnen uit de jaren 1580 worden bovendien expliciet mensen genoemd die betrokken waren bij het vervaardigen van “nieuwe lakens op de Belsche manier” en “Belse laeckenen”. De aanduiding moet niet zonder meer worden opgevat als een verwijzing naar de plaats Belle (het huidige Bailleul). In dezelfde context wordt echter ook gesproken over lakens die werden vervaardigd “opte wyze van Belle”, waarmee wél specifiek de productie naar de wijze van Belle/Bailleul wordt bedoeld.
De historische bron beschrijft een lood met:
Gereet tot Leyden in Hollant opte wyze van Belle
Daarbij staat een leeuw met het Leidse stadswapen. Op de andere zijde werd informatie over het aantal draden in de breedte gegeven, met daarnaast een Latijnse vertaling.
Dit toont opnieuw dat een lakenlood zowel herkomst, productieplaats als producttype kon aangeven.
12. Baai
Ook baai had specifieke loodjes.
Voor kwaliteitsonderscheid werden onder andere stadswapen, kronen en rozen gebruikt.
Later werd binnen de baaienhandel het staallood belangrijker. Vanaf 1606 werden grotere loodjes gebruikt waarop onder andere de hoogte van het staal en de stadsnaam konden staan.
De roos is hierbij een interessant herkenningselement. De Lakenhal bezit ook stempels voor lakenloodjes waarop rozen voorkomen. De museumcollectie bevat hiervoor meerdere voorbeelden.
13. Leyden geblauw
Een zeer herkenbaar deelbewerkingstype is:
LEYDEN GEBLAEWT
Het betreft een aanduiding die verband hield met het kleur- en bewerkingsproces.
De Lakenhal heeft een vrijwel ideaal vergelijkingsobject:
Lakenlood 'Leyden Geblaewt', 17de eeuw, inventarisnummer 11197. Het lood is geslagen en meet 31 × 6 mm.
Lakenlood 'Leyden Geblaewt' – De Lakenhal, 11197
14. Gewass

Een ander deelbewerkingsloodje gaat over het wassen van de stof.
Op de voorzijde enkele cijfers: "1 1/8 B" duidt op de breedte van de stof in ellen; "gewass" duidt op een wasbehandeling.
KZ: wapen van Leiden en tekst: 'leiden in hollandt'.
15. Wolle deeken

In de 18e eeuw komen loodjes voor met de tekst:
Wolle Deeken gemaakt binnen Leyden
De betekenis is vrij letterlijk: een wollen deken, gemaakt binnen Leiden.
In mijn eigen collectie bevindt zich een zelfde lood die gedateerd is 1775
Op de keerzijde een naar links klimmende leeuw met mattenklopper, kromzwaard en de gekruiste sleutels in een wapenschild.

De Lakenhal heeft meerdere exemplaren. Een van deze loodjes dateert uit de 18e eeuw en meet 35 × 8 mm.
Lakenloodje 'Wolle Deeken gemaakt binnen Leyden' – De Lakenhal, 11202
16. Sattyne
Een andere aanduiding betreft sattyne. In bovenstaande lood uit mijn prive-collectie staat onder dit woord een tweekoppige adelaar afgebeeld voor handel met het Heilige Roomse Rijk.
De Lakenhal heeft een lakenlood met het woord:
SATTYNN
en de gekruiste Leidse sleutels. Het staat ook in de collectiezoeker van De Lakenhal als afzonderlijk lakenloodje beschreven.
Collectie lakenloodjes met 'Sattynn' – De Lakenhal
Hieruit blijkt opnieuw dat het opschrift niet alleen de herkomst maar ook het soort textiel kan aangeven.
17. Verbeteringsloodjes
Niet ieder laken voldeed volledig aan de gestelde eisen.
Voor stukken die nog konden worden verbeterd, werden speciale loodjes gebruikt met:
B – BB – BBB
Hoe meer B's, hoe verder het stuk van de gewenste kwaliteit afweek.
Voor saai werden volgens de historische beschrijving andere aanduidingen gebruikt, waaronder V en VV.
18. Permissieloodjes
Een permissielood gaf toestemming voor een bepaalde behandeling.
Een voorbeeld uit de historische beschrijving betreft blauw geverfd textiel dat voor zwart verven was goedgekeurd.
Het woord:
PASSEERT
werd met een speciale passerbout aangebracht.
Dit is een interessante categorie omdat het lood niet zozeer een kwaliteitsniveau aangeeft, maar een toegestane bewerking.
19. Bijloodjes en schadeloodjes
Naast de normale keuringsloodjes waren er zogenaamde bijlooden.
Bij beschadigingen kon een extra lood worden aangebracht.
Bij baai werden bijvoorbeeld kleine overloodjes gebruikt om afzonderlijke gebreken aan te geven. Volgens de historische bron kon dit voor maximaal vier gebreken gebeuren.
Ook het verwijderen of herstellen van zogenaamde beternissen was aan regels gebonden.
20. M – W – MW

Bij bepaalde gebreken kon een loodje aangeven wie voor het probleem verantwoordelijk was.
Daarbij worden genoemd:
M = meester
W = wever
MW = meester en wever
Bij ras (lichte wollen stof) kon een dergelijke aanduiding worden gebruikt wanneer het laken beschadigd was of tot een lagere categorie was teruggebracht.
Deze letters zijn daarom bijzonder interessant bij het determineren van losse vondsten.
21. Onderscheidingsloodjes
Wanneer twee stukken textiel hetzelfde hoofdmerk droegen, konden aanvullende merken worden gebruikt om ze van elkaar te onderscheiden.
Zo werden bijvoorbeeld extra tekens gebruikt bij gevulde saai.
Ook een kaart- of kaardteken kon een onderscheidingsfunctie hebben.
22. Loodjes voor gesneden of beschadigd textiel
Het afsnijden van lijsten of uiteinden van het laken werd aangeduid met termen als:
- coupeeren
- coperen
- topperen
Ook steken of andere ingrepen konden informatie geven over de staat van het stuk.
Een zogenaamd blind lood kon aangeven dat een stuk buiten de normale inspectie viel.
23. Herkomstloodjes
Het officiële stadsmerk was uiteindelijk vooral een garantie voor de koper.
Een stuk Leids laken mocht volgens de historische beschrijving niet zonder het officiële Leidse merk bij een buitenlandse koper terechtkomen. Hierdoor kon men het laken 'op zegel' kopen.
Het stadswapen kon bestaan uit de twee sleutels, maar ook de klimmende leeuw werd gebruikt.
Een bijzonder museumvoorbeeld is het eerder genoemde lood met LEYDEN IN HOLLANT en de klimmende leeuw.
24. Buitenlands textiel dat in Leiden werd bewerkt
Niet alle loodjes met een Leids merk hoefden betrekking te hebben op textiel dat volledig in Leiden was vervaardigd.
Ook buitenlandse textielen die in Leiden werden bewerkt konden een speciaal Leidse merk of controlelood krijgen.
De historische bron maakt daarbij onderscheid tussen verschillende soorten buitenlandse textielen en speciale loodjes.
Dit is belangrijk bij de determinatie: een Leids merk betekent dus niet altijd dat de volledige productie in Leiden heeft plaatsgevonden.
25. Ventloodjes
Een aparte categorie zijn de ventloodjes.
Deze werden gebruikt bij de verkoop van textiel in de detailhandel en dienden als bewijs dat de verschuldigde belasting was betaald.
Ook buitenlandse stukken konden hiermee worden belast.
Een ventlood is dus in eerste instantie een fiscaal lood, geen kwaliteitslood.
26. HAL

HAL – Op Leidse lakenloodjes komt ook het opschrift HAL voor, soms tussen twee zesbladige roosjes. In de historische collectie van Museum De Lakenhal bevindt zich een ronde ijzeren stempel met precies dit opschrift, met boven en onder een roosje. De stempel is 20 mm breed. Leiden kende verschillende textielhallen waar laken en andere stoffen werden gecontroleerd en van loodjes voorzien. Mogelijk verwijst HAL daarom naar een specifieke textielhal, waarbij de Greinhal een mogelijkheid is. Een directe bron die deze HAL-stempel specifiek aan de Greinhal koppelt, is vooralsnog niet gevonden. Datering: waarschijnlijk 17de–18de eeuw.
27. Prentloodjes
Het prentlood was een vroeg controlelood.
Nadat het laken door de wever was vervaardigd, werd het gecontroleerd. De prenter bracht vervolgens zijn merkteken aan. Het lood kon aan het laken worden bevestigd voordat het verdere controleproces begon.
Dit soort loodjes moet dus niet worden gezien als uitsluitend een herkomstmerk. Het maakte deel uit van het controleproces van het laken.
28. Particuliere merken en handelsloodjes
Vanaf de 17e eeuw kregen particuliere merken een steeds grotere rol.
In 1602 mochten handelaren op bepaalde loodjes hun eigen merk naast het stadsmerk voeren.
In 1652 kwam een afzonderlijk particulier lood voor niet-gestaald laken.
Vanaf 1664 konden handelaren, drapeniers en makelaars onder voorwaarden eigen loodjes aanbrengen. Deze moesten duidelijk verschillen van de officiële stadsloodjes.
Hieruit ontwikkelde zich uiteindelijk het handels- en fabrieksmerk.
Een voorbeeld is waarschijnlijk het HPG loodje.
HGP – Leids textiellood, waarschijnlijk uit het eerste kwart van de 17e eeuw (ca. 1600–1625). Aan de ene zijde staan de gekruiste sleutels van Leiden, aan de andere zijde de letters HGP. De betekenis van HGP is vooralsnog onbekend. Een exemplaar is afkomstig uit een archeologische context van 1600–1620 in Enkhuizen.
29. Pijploodjes
Niet alle textielloodjes werden aan een afgewerkt stuk laken bevestigd.
De Lakenhal bezit bijvoorbeeld een pijploodje met het opschrift XI, daterend uit de 17e eeuw.
Dit loodje werd door werkmeesters aan een draad van het weefgetouw bevestigd. Daarmee kon de dikte van de scheringdraden worden gecontroleerd.
Pijploodje XI – De Lakenhal, 11203
Dit is een belangrijk onderscheid: een textielloodje hoeft dus niet noodzakelijk aan een afgewerkt laken te hebben gezeten.
30. Leidse lakenloodjes in de collectie van De Lakenhal
De collectie van Museum De Lakenhal bevat momenteel 110 objecten die als lakenloodje zijn geregistreerd. Daarmee is de collectie een belangrijke vergelijkingsbron voor Nederlandse vondsten.
Bekijk alle 110 lakenloodjes in de collectie van De Lakenhal
Enkele bijzonder bruikbare vergelijkingsobjecten zijn:
- Leyden Geblaewt – 17e eeuw
- Leyds Groot Doubbel Stael 1619
- LEYDS GOET – 1592–1596
- LEYDEN IN HOLLANT / TOT RASSEN GEREED – 1600–1625
- GEMETEN / 41½ – 1600–1650
- GEMETEN / 58½ – 1600–1650
- DROOG GEMETEN / 37 – 1600–1650
- ANDERHALF STAEL – 1600–1700
- Wolle Deeken gemaakt binnen Leyden – 18e eeuw
- Leids goed + gekruiste sleutels en adelaar – 18e eeuw
- Pijploodje XI – 17e eeuw
Bronnen
- Posthumus, N.W., De geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie, Den Haag, 1908–1939.
- Posthumus, N.W., Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid 1333–1795, Den Haag, 1910–1922.
- Museum De Lakenhal, Leiden – collectie lakenloodjes en Zeven eeuwen Leids laken.
- De Boer, D.E.H. (red.), Bodemonderzoek in Leiden, Leiden, 1983.
- Eigen collectie en determinaties: Metaaldetecteren.nl.





