Grijs Wit Zilver

Een aanzienlijke groep knopen is gemaakt van legeringen van tin, lood,  zink, nikkel, zilver of aluminium. Deze knopen kunnen de kleuren Grijs, Wit en Zilver hebben en lichte variaties hiervan. Vaak is niet goed te achterhalen om welk metaal het gaat. In deze database worden objecten waarvan niet zeker is van welk metaal of legering deze zijn gemaakt de code GWZ gegeven.

TIN net gegoten ziet er zilverachtig uit. Deze zilverwitte kleur noemt men de β-fase, die van 16°C tot 181 °C stabiel is. Bij temperaturen onder 13,2 °C gaat dit over in het grijszwarte α-tin. Smelt je dit weer om, dan is het weer zilverwit. Oud tin is dus zelden zilverkleurig maar eerder grijs. Het heeft een oud zilverachtige uitstraling waardoor het lastig in te schatten is of een bodemvondst van tin of zilver is.

Een opmerkelijk fenomeen is de ’tinrot’ of ’tinpest’. Het is de verandering van de materiaalstructuur van tin bij lage temperaturen. Het metaal verpoedert en verliest zijn sterkte en stevigheid. Zo vernielde de kou de tinnen knopen aan de uniformen van Napoleons leger bij de bezetting van Moskou in 1812. Korrelige knopen van rond 1800 zijn dus vaak van een tin legering.

PEWTER is de Engelse term voor een legering van tin vaak met lood. Ook puur tin krijgt in het Engels vaak deze benaming. In het Nederlands heet dit Peauter maar dit wordt nauwelijks als naam gebruikt. Door de lage smelttemperaturen werd pewter vaak gebruikt voor huishoud- en gebruiksartikelen. Net gegoten pewter heeft een zilverkleur en geërodeerde versies kunnen zowel zwart zilverachtig als lood witachtig eruit zien.

LOOD is net gegoten ook zilverkleurig. Zo wordt lood echter nooit uit de bodem gehaald. Meestal is het wit, loodwit of ietwat geel wit.

ZINK zonder corrosie is ook zilverachtig. Vaak verschijnt er na een tijdje een wit laagje op zink en begint het er grijzig uit te zien. Zink met corrosie (zinkpest/zinkrot) wordt wit en valt dan al heel snel uit elkaar. Dat is ook de reden dat veel zink oorlogsgeld bijna nooit goed uit de bodem komt.

Pas in de 18e eeuw leerde men in Europa zink maken. In de periode daarvoor werd het duur geïmporteerd uit landen als China en India om oa messing van te maken. Zink wordt op al betrekkelijk lage temperatuur (907 graden Celcius) gasvormig waardoor het moeilijk te maken was. Vanaf het begin van de 19e eeuw wordt gewalst zink vaker toegepast en werden steeds meer dakbedekkingen en goten van zink gemaakt. De sterkte, goede verwerkbaarheid, lage gewicht, soldeerbaarheid en lange levensduur maakten het een populair. (referentie)

NIKKEL ziet er zilverkleurig uit en kan heel goed tegen corrosie. Het frappante is dat oude objecten hierdoor er soms zo helder zilver eruit zien dat ze niet oud lijken.

ZILVER is gevoelig voor corrosie en kan een grijs tot zwarte kleur krijgen. Zilver is van nature zacht en daarom worden er legeringen van gemaakt. Legeringen van zilver met koper kunnen soms rood of groen uitslaan.

ALUMINIUM is een licht metaal dat er wit zilver achtig uitziet. Wetenschappers dachten in 1787 dat er een onbekend metaal aanwezig was in alum. In 1825  werden er voor het eerste kleine aantallen aluminium geproduceerd. Tegen 1845 kreeg men het voor mekaar om groter aantallen te produceren. In 1854  volgde er nog een verbetering en kwam de commerciële productie van aluminium op gang. Als gevolg hiervan daalde de prijs van $1200 per kilo in 1852 naar ongeveer $40 per kilo in 1859. Vanaf 1880 zorgde een nieuw proces voor toename in beschikbaarheid van aluminium. Oude voorwerpen gemaakt in de periode 1825-1850 zijn een zeldzaamheid en koste destijds een vermogen.

referentie

Resultaat 1–45 van de 54 resultaten wordt getoond