In de knopenindustrie werd het machinaal walsen van koperen platen vanaf het midden van de 18e eeuw essentieel. Waar knopen tot ca. 1750 vaak met de hand werden gemaakt uit onregelmatige platen of door gietwerk, maakte het walsproces het mogelijk om dunne, gelijkmatige platen van messing of koper te produceren — ideaal voor stansen of persen van knopen en/of knoophelften.
In 1769 werd er door John Pickering ook een machine uitgevonden waarmee bolle vormen in de platen konden worden geponst. Hiervoor deed men dit handmatig.
Knopen geponst uit plaatmateriaal kregen een gietdraadoog mee die eruit zag als een lusje wanneer de knoop erg diep was. Gegoten knopen hebben bijna altijd een staafoog.
De overgang van gegoten naar plaatmateriaal vanaf ca 1750 en massaler vanaf ca 1770 werd waarschijnlijk vanuit kostenoverweging gedaan. Pletten en ponsen kon met minder materiaal en ging ook sneller. In deze overgangsfase werden knopen soms zo dun gemaakt dat de buitenrand lichtjes werd omgevouwen om de knoop iets steviger te maken.
Datering (onder voorbehoud): knopen uit plaatmateriaal met gietdraadoog 1750-1800
Voor 1750 werden er wel mondjesmaat knopen van koper plaatmateriaal gemaakt. Deze platen waren dan (semi-)handmatig geplet en dat koste dus meer tijd en hiermee geld. Dit was dan ook waarschijnlijk alleen rendabel wanneer er veel metaal bespaard werd zoals bij samengesteld gesoldeerde knopen. Dit had overigens ook te maken met de grootte van knopen. Tot ca 1675 waren de koperen knopen klein tot ca 15mm. Hierna werden deze steeds groter en was het een overweging om deze van handmatig geplette koperen platen te maken. Dit proces had zich overigens al in de 16de en 17de eeuw voorgedaan bij zilveren knopen.




