koepel met gietdraadoog

Dit zijn kleine voornamelijk messing koepelvormige knoopjes van ca 10mm-15mm. De overgang van de bolle bovenkant naar de plattere onderkant is meestal rond. De onderkant kan ook een lichte bolling hebben.

In Baart valt te lezen dat je over het algemeen kunt zeggen dat hoe groter de kop van de knoop is, des te ouder deze ook is.

Binnen deze groep staan echter ook enkele grotere exemplaren die juist jonger zijn. Vanaf einde 17de eeuw zie je dat knopen groter worden dan 15mm. Deze knopen vallen op doordat ze super strak gegoten zijn. De overgang van de bolle kant naar de platte onderkant is kaarsrecht.

Zowel Baart als Coinhunter hebben een einddatering van ca 1650 voor de kleinere knopen. Op basis echter van vondsten uit scheepswrakken kun je er van uit gaan dat deze tot ca 1700 zijn gebruikt. Baart laat ook helaas lang niet altijd het oog van iedere knoop zien. Hij geeft echter een groot deel van de knopen een begindatum van 1600 i.p.v. 1575. Een aantal gietdraadoog voorbeelden krijgen het jaar 1600 mee. Hieruit kun je voorzichtig concluderen dat staafoogjes een beginjaar van Baart meekrijgen van 1575 krijgen en gietdraadogen 1600.

Bij het PAN zijn deze terug te vinden:

lusvormig 03 MASSIEVE CONVEXE KOP EN VLAKKE BASIS, LUSVORMIGE STIFT, VERSIERD, 08-01-01-03 (1500-1850)
PAN definitie:
(1) Knoop met een massief gegoten kop; (2) de kop heeft een convexe voorzijde (3) en een vlakke basis; (4) de voorzijde van de kop is versierd; (5) integrale of separate lusvormige stift (ronde doorsnede).

Helaas wordt in deze definitie van het PAN een “lusvormige stift” genoemd met een “ronde doorsnede”. Dit is verwarrend! Het gaat hierbij om knoopjes met een rond oog! Deze oogjes zijn dikker dan de dunne draadoogjes die vrijwel altijd bij loodtinnen knopen werden gebruikt. Soms zijn deze (los) gegoten, soms wellicht gemaakt van een dikkere koperdraad. Daarom gebruik ik de naam gietdraadoog.

oog-op-stok (gietdraadoog)

Tijdens het gieten werd het vooraf gemaakte oogje in het kopje gezet. Soms steken ze wat uit. Dit noemen ze een oog op stok.

Messing knoopje met een convexe kop en een afgebroken oog zijn vrijwel altijd van dit type. Staafoogjes braken immers bijna nooit af en knopen met draadoogjes waren van tin of lood tin.

Sierknoopjes met hierop bloemetjes, bloempatronen, kruispatronen, vlechtband en portretjes (portretknoopjes) komen vooral voor tussen 1600-1700.

Deze knopen lijken enigszins op halfbolle knopen die vanaf ca 1700 op uniformen van bijvoorbeeld de Huzaren werden gedragen. Vroege modellen waren namelijk nog niet hol en/of gestanst maar massief. Deze knopen zijn echter meer halfbol, groter (vanaf ca 15mm) en hebben een platte achterkant.

Fleuron

Op de iets oudere knopen van de vorige groep met staafoog komen vaak fleurons voor. Ik neem daarom ook aan de de knopen uit deze groep, waar ook fleurons op staan, vaak in combinatie met een kleine bloem in het midden, het oudste zijn. Baart geeft dit ook aan : “De bloem in het hart van de knop gaat geleidelijk een steeds grotere plaats innemen“.

Langzaam aan worden de fleurons om de bloem vervangen door schutbladen en cirkels met parels. Uiteindelijk staan er alleen nog maar Tudorroosjes e.a. bloemen op.

Resultaat 1–45 van de 177 resultaten wordt getoond