Tweedelig convex basis van bot, hout of metalen schijfje (ca 1720-1840)

Officiersknoop marine tin 1772 (republiek)
De achterkant van deze knoop is van bot
Op deze manier werd het kapje om het hout/been/metalen-schijfje heen gevouwen in de groef van de basis.

Ook in de 18de eeuw werden er eenvoudige tweedelige knopen met afbeeldingen gemaakt. Dit waren dun gebolde kapjes van metaal (messing, zilver, zelden tin) die over een basis met groef van hout, been of metalen plaatje werden gezet.

Meestal waren dit vlakke vrij chique knopen al zijn er ook halfbolle bekend(zie hieronder). Het was ook behoorlijk arbeidsintensief om deze te maken.

In de kapjes werd meestal van te voren met de hand een vorm geslagen maar er zijn ook wel oudere modellen bekend waarbij ze gegoten zijn. Omdat de vorm niet geheel aansloot op het kapje werd de rest voor de sterkte opgevuld met klei of een harsachtige substantie.

De constructie van deze knopen was niet heel stevig. Tijdens het metaaldetecteren worden ze daardoor regelmatig gevonden zonder achterkant waarbij hout, witachtige klei of harsachtige substantie zichtbaar is.

Tweedelig met darm of metalen draad

Vanaf ca 1720 begon men met gegoten kapjes omdat men nog niet in staat was om knopen te stempelen/persen. Dit gieten was een intensief werk. Gegoten knopen van dit type zijn dus het oudst. Bij knopen die in takt zijn kun je dit dus helaas niet zien. Van deze oude types zijn er maar heel weinig bekend.

Het walsen van metaal werd in de loop van de 18de eeuw vervolgens sterk verbeterd. Metalen platen werden daardoor steeds dunner. In 1769 werd er hierdoor ook een machine uitgevonden die een knoop in een vorm kon stempelen inclusief afbeelding (applique). Dit scheelde heel veel tijd. Vanaf die tijd begon men steeds meer van dit soort knopen te maken.

In het begin gebruikte men een darm maar later messing als draad.

In een volgende fase werd soms de houten/benen achterkant vervangen door een vergelijkbaar plaatje van dun messing of een ijzeren achterplaat (culot). Dit was overigens niet heel stevig en er moest dan veel vulmiddel in.

Knoop met gietdraadoog

In de laatste fase werd de achterplaat met de 4/5 gaten vervangen door een achterplaat met 1 gat. Een draadoog werd in dit gat vastgemaakt met met de eindjes van de draad gevouwen tegen de binnenkant van de achterplaat.

Tegen het einde van de jaren 70 van de 18de eeuw waren al deze varianten in gebruik.

Vanaf ca 1800 verandert het modebeeld en worden de knopen steeds boller. Rond 1800 is overigens ook een manier uitgevonden om zuiver zink te produceren waardoor messing ook makkelijker te maken was. Van deze legering kon men heel dunne platen maken, het zogenoemde latoenkoper. Dit wat ideaal om knopen mee te persen. De knopen moesten vanwege de beperkte sterkte wel goed worden opgevuld met lak.

In 1813 wordt een nieuwe, veel stevigere manier van knopen stansen uitgevonden. De oude machines worden echter nog veel gebruikt tot ca 1840. Met achterplaat zijn deze te herkennen omdat je de rand van het kapje kunt zien. Bij een met een nieuwe machine gestanste knoop zit die rand (C in de afbeelding) verborgen. Na deze periode worden knopen nog steeds wel gevuld tot ca begin 20ste eeuw.

tweedelig gestanst vanaf 1813
Halfbolle Franse knopen met benen achterkant

Referentie:

A structural and functional analysis of eighteenth century buttons

Toont alle 31 resultaten